Preek gehouden op 14 februari 2021 Koningen 5: 1 – 19a

Ds. Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

In de Bijbel staan mannen en vrouwen beschreven die maar in één verhaal voorkomen. Naäman is één van die figuren. Weliswaar noemt Jezus hem nog in Lucas (4,27), waar hij als buitenlander van een huidziekte werd genezen, terwijl er zo veel andere Israëlieten waren die aan een vergelijkbare ziekte leden. Het vreemde valt dan op. In dit verhaal uit 2 Koningen wordt het vreemdelingschap van Naäman niet tot een probleem gemaakt. Wel is hij een vijand van het volk Israël. Aram was één van de zeven volken die Mozes in Deuteronomium (7,1) opsomt, die in het beloofde land wonen. “Zeven volkeren die groter en machtiger zijn dan u” en “laat je niet met hen in: trouw niet met hun dochters en zonen en ga niet achter hun goden aan.” Als je niet verder dan deze waarschuwing kijkt, dan kom je niet verder met dit verhaal. En soms wijst vreemd volk op wat er wel mooi, goed en rechtvaardig in het eigen land is. Iets dat jij als vanzelfsprekend aanneemt. Vandaag wil ik jullie allen mee nemen in een geloofsbrief, een getuigenis van Naäman, die van een vijand van Israël een volgeling van God, de Enige veranderde. Hij staat op een punt in zijn leven dat hij de balans opmaakt. Dat doen wij ook wel eens, als we op een tweesprong staan: ga ik door met mijn relatie, werk, manier van leven of kies ik voor wat anders? Of als we het levenseinde voelen naderen: heb ik het wel goed aangepakt in mijn leven met mijn gezin, lag de focus niet te veel op werken, heb ik nog openstaande rekeningen, dat ik nog iets goed moet maken, voor ik het aardse achter me laat?

Naäman vertelt: Mijn leven is goed gevuld geweest. Vele successen, overwinningen op het strijdveld kan ik op mijn conto schrijven. Mijn talent om de legers en troepen van Aram aan te sturen viel al snel op bij de koning. Ik ben aan het hof gekomen, maar de actie van aanvallen, dat lag mij meer. Het spel van diplomatie heb ik goed kunnen spelen, daar heb ik schik in gehad. De koning nam mij vaak in vertrouwen en steunde letterlijk en figuurlijk op mij. De inzichten en raadgevingen nam hij tot zich in zijn besluitvorming. Hij hechtte waarde aan wat ik te zeggen had, ook al had het niet altijd met oorlogsvoering te maken. Van zulke momenten ging ik stralen …ahum… ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat ik in die tijd een arrogante kwast was. Het beste van het beste moest het wezen, op alle terreinen van het leven. Mijn successen dichtte ik mijzelf toe: dat die van de God van Israël kwamen, dat kwam totaal niet in mij op.

Maar te midden van al dat succes dat me naar de bol steeg, was er wel iets dat mij hinderde. Dat ik niet volwaardig mee kon doen. Mijn huid was niet gaaf. ’t Zat vol vlekken. Niet om aan te zien was ik. Dat gaf mijn leven toen minder glans. Ik ondernam wel zaken, maar er zat altijd dat maar bij. Daar besteedde ik in eerste instantie niet zo veel aandacht aan. Ik overschreeuwde dat zelfs. Werd koppig in mijn trotsheid en daar heb ik recht op, want ik heb er hard voor gewerkt. Maar hoe meer ik mijn zieke huid negeerde, hoe erger het werd. Natuurlijk: ik adviseerde vele artsen en genezers in Aram. Niets van dat alles hielp. Nu had mijn vrouw een dienstmeisje dat uit Israël was meegevoerd. Zij vertelde mij over een profeet in Samaria, Israël, die tot veel in staat is. Dit meisje keek dwars door het harnas van deze soldaat heen, recht in mijn hart, waar de pijn zat, dat ik zo goed uit het zicht wilde houden. Ze was zo begaan met mij, dat ik de gok waagde. Ik ging naar mijn koning en vertelde hem over die man in Israël. Hij gaf mij een brief voor de koning van Israël mee. Met bakken zilver, goud en mooie kleding ben ik op pad gegaan naar Israël.

De koning van Israël las de brief van mijn koning, maar hij las er wat anders in. Een oorlogsverklaring zag hij. Hij scheurde voor mijn ogen zijn kleding. Zo emotioneel reageerde hij op de brief van de koning van Aram. Ik zag de paniek in zijn ogen. Maar al snel kwam er een bode binnen met een boodschap van de godsman Elisa: “laat die man uit Aram bij mij komen. Dan zal hij een echte profeet zien.” Met mijn hele gevolg ging ik naar Elisa’s huis. Het was een groots gebeuren: ik potsierlijk op mijn strijdwagen. Toen we er aan waren gekomen, verwachtte ik een show. Elisa zou naar buiten komen en voor mij knielen uit respect. Hij zou heilige formules gebruiken en over de aangetaste plekken strijken. Ik zag het zo voor me, dat ik op deze manier genezen zou worden. Wat was ik boos, nee, laaiend, toen een eenvoudige jongen de boodschap doorgaf: “baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw huid weer gezond worden.” Op dat moment was ik helemaal klaar met Israël. Denkt dat ze heel wat is, maar ze kan zich niet meten met Damascus. Zo nationalistisch dacht ik….

Mijn bedienden kwamen schuchter en respectvol nader. Ze spraken me tactvol aan: “Maar als u, overste, een ingewikkelde opdracht zou hebben gekregen, zou u die toch ook hebben uitgevoerd?” Baat het niet, dan schaadt het ook niet. We zochten een geschikte plek in de Jordaan op. Daar in het water dompelde ik mij helemaal onder, zeven keer. Mijn huid veranderde: ik kreeg de huid van een kind, helemaal ongeschonden. Maar het mooiste komt nog: ik veranderde ook van binnen. Mijn hart keerde zich om. Een begin van nieuw leven diende zich aan. Als herboren ging ik terug naar het huis van Elisa. Ik was hem zo dankbaar voor deze gave. Ik beleed mijn geloof in God de Ene in de aanwezigheid van iemand die ik als een vijand van Aram had aan gezien. “‘Ik wist wel dat er behalve in Israël in de hele wereld geen god is.” Uit dankbaarheid wilde ik Elisa alles geven, maar hij nam niets aan. Op dat moment zag ik het nog niet zo goed, maar Elisa bleef erbij, dat God mij had genezen, hij niet. Ik vroeg hem om aarde van Israël. Die aarde is voor mij nog steeds kostbaar: daarop voel ik mij verbonden met de God die redt, die ook mij heeft gered. Ik offer er uit dankbaarheid, dat elke dag een nieuwe dag is. Een dag, waarop ik mij ten goede kan inzetten voor de mensen die God, de Vader mij heeft gegeven. Ik was zo blij als een kind, toen ik de aarde meekreeg!

Ik had nog één punt, dat ik met Elisa wilde bespreken, voordat ik weer naar Aram zou gaan. De koning van Aram was al wat ouder en had mijn ondersteuning nodig bij de verering van de godheid Rimmon. Ik wil de God van Israël van harte dienen, maar onder deze verplichting zou ik niet onderuit kunnen komen. Ik hoopte op vergeving voor deze actie in de tempel van Rimmon. Wat Elisa tot mij heeft gezegd, dat is mijn levensmotto geworden: “Ga in vrede.”

En met die vrede van de Ene heb ik mijn verdere leven geleid. Het was niet altijd even eenvoudig in Aram, maar met innerlijke worstelingen, met zijn ups en downs slaagde ik erin om de God van Israël te volgen. Het dienstmeisje was één van de eersten die mij terug zag komen. Ze zag de verandering in mijn ogen. Het harnas was er af gevallen. Ik was los van mijn arrogantie, mijn zonde richting God geworden: niet op eigen kracht, maar op Zijn kracht ben ik er gekomen. Het dienstmeisje heeft mij meer over de God van Israël verteld. Dat heeft ze met zichtbaar plezier gedaan. En vrede kwam, waar ik ook ging. In mijn huis, bij de koning van Aram. Ik zat lekker in mijn vel. De koning vertrouwde mij nog meer zaken toe. Hij kon er niet precies de vinger op leggen, maar hij vond het nog prettiger om zaken met mij te delen, nu ik genezen uit Israël terug was gekomen. Ik wist de focus op vrede te krijgen. Dat er ook andere manieren waren om een goed leven te hebben dan te stropen en je buurlanden te plunderen. Dit werd het succes in mijn leven, waar ik het meest trots op ben, maar dit is niet mijn verdienste. Dankzij de Ene heb ik dit voor elkaar gekregen. Hij staat een mens bij, die zich weet om te keren naar vrede. Die God kijkt niet naar grenzen tussen mensen, maar Hij ziet naar het hart van ieder mens die oprecht een ander leven wil leiden. Die God van Israël kijkt naar de hele schepping om. Hij geeft ieder van ons de kracht om voor deze aarde zorgen. Die God werkt in het kwetsbare, in het onaanzienlijke om die vrede van Hem te bewerkstelligen. En soms ook is God aan het werk in een tijd van ziekte. Niet als gever ervan, maar Hij is erbij. Hij hoopt dat goede, jouw hart, naar boven te delven te midden van zo’n tijding. Dat je niet ten onder gaat, maar dat jij in dit alles een kracht mag ontwaren, die jou vrede wil geven. Voor mij is God die kracht die niet nooit opgeeft, die niet los laat, die je niet kan kopen of verdienen. Die God is er, ook voor jou. Ook nu is Hij erbij, waar ik ga of sta. Hij roept mij dag aan dag om Zijn vrede waar te maken. Dankzij God ben ik getransformeerd van een man van oorlog naar een man van vrede. Mijn arrogantie heb ik losgelaten, want ik ben ook maar een kwetsbaar mens die onder Gods vleugels bescherming mag vinden.

En dat vind ik ook bijzonder aan Elisa. Hij had die dag kunnen afgeven op die vreemde god van Aram, maar hij verlegde de blik op de kracht, de zegening van God in ons bestaan. Dat vond ik zo prachtig om te ervaren, dat ik niet meer de behoefte heb gevoeld om een ander neer te drukken, zodat ik me beter voel. Dat ik niet met boosheid, met verachting ten aanzien van deze goden hoef te reageren. Het enige dat ik hoefde te doen, was mijn hand openen om het goede van God te ontvangen. Dat wil ik jou ook mee geven: je hoeft de ander niet naar beneden te drukken, zodat jij je beter kunt voelen. Alsof jij ‘beter’ gelooft. Als je dat doet, breek je vertrouwen in God af, want God wil niet dat je zo in het leven staat. Zie niet op de ander neer, maar zie in hem, in haar, in ons allen een kind van God. Dát verlangt God van ons dat we elkaar goed behandelen, in vrede met elkaar leven. Uit die wedstrijd dat voor een leven moet doorgaan, ben ik gestapt. Ik heb oog gekregen voor wat er wel is. De zucht naar meer, meer aanzien, meer bezit, dat is niet belangrijk. Elke dag kijk ik terug op wat er die dag goed is gegaan. Waar kan ik leren om niet zo snel in de eigen valkuil te stappen? Waar heb ik die vrede van God gedragen, misschien wel afbreuk gedaan aan die zegening? Dan sta ik voor Gods aangezicht in gebed, in alle nederigheid tegenover Hem die ook mij geschapen heeft in alle goedheid.

Van die God getuig ik, want Hij doet grootse dingen, in het verleden, vandaag en morgen. Vanuit die hoop wil ik verder gaan op Gods weg van vrede. Wat jij ook los te laten hebt in jouw bestaan, dat gaat soms niet van de één op de andere dag. Dat vraagt om worsteling, om niet door het kwade kopje onder te gaan, maar dat je in het goede boven komt. Besteed elke dag tijd aan dat je ziet, waar God erbij is geweest. Dat is soms niet altijd even gemakkelijk, als je met moeite en pijn te kampen hebt. Maar laat de moed niet zakken. Vind je rust in en bij God. In alle vrijheid geeft Hij wat wij nodig hebben, het brood dat we iedere dag ontvangen. Om het kwade met het goede te overwinnen, want daar ligt de ware overwinning. Dan zal het vrede zijn voor ons allen. Dus: mijn medegelovigen, ga in vrede en God zal met jou zijn! Amen.