Preek, gehouden op 11 april 2021, Johannes 20: 19-31 bij de doop van Tim

Door: Ds. Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Tomas wordt vaak weg gezet als ongelovig. Hij twijfelt aan het verhaal dat zijn medeleerlingen hem vertellen over Jezus die op de avond van de eerste dag van de week in hun midden verschijnt. Achter gesloten deuren nog wel! Nou, hij wil bewijzen zien. De wonden aanraken. Dan pas zal hij het geloven. Tomas lijkt hoog van de toren te blazen met zijn roep om bewijs. Maar geef hem eens ongelijk. We weten niet hoe de leerlingen op het getuigenis van Maria uit Magdala hebben gereageerd, maar we krijgen wel iets mee van hoe ze er tegen aan kijken: de deuren zijn op slot uit angst voor de Joden. En een week later zijn die dat nog steeds. Ook al is Jezus aan hen verschenen en heeft hen geopend voor het verstaan in de opstanding. Er lijkt binnen een week tijd wel niets veranderd te zijn. De leerlingen zullen zich geërgerd hebben aan Tomas’ eis om bewijs. Misschien hebben ze ten treure uit het verhaal van Jezus’ verschijning in hun midden herhaald. Aangevuld met het verhaal van Maria, zo kan ik het me voorstellen. Maar wat er in die week is gebeurd, dat weten we niet vanuit dit evangelie.

En dan op de volgende eerste dag van de week komt Jezus weer de afgesloten ruimte binnen. Tomas is er dan wel bij. Ook dan wenst Jezus zijn leerlingen vrede toe en direct wendt hij zich naar Tomas. Het is verbazingwekkend dat Jezus weet wat Tomas die week heeft gezegd. Alsof hij er bij was, toen Tomas dit zei. Jezus toont zijn wonden in zijn handen, zijn voeten en zijn zij. ”Kijk maar, ik ben het echt.” Jezus spreekt Tomas aan: “Wees niet langer ongelovig, maar geloof.” Jezus nodigt zijn leerling met vragen uit om te groeien, om te vertrouwen. En wat er dan gebeurt, is opmerkelijk. Van een ongelovige Tomas wordt hij een belijdende Tomas. Dit is de eerste geloofsbelijdenis na de opstanding. Terwijl de leerlingen stommetje spelen bij de tweede verschijning en Maria haar getuigenis van de Opgestane Heer slechts doorgeeft, belijdt Tomas zijn geloof in Jezus als ‘Mijn Heer, mijn God.’ Met zo’n belijdenis gaat het beeld van een ongelovige Tomas, een twijfelaar over boord. Vaak staat de twijfel in een negatief daglicht. Velen zijn opgegroeid met het beeld van ‘ik mag niet twijfelen’. ‘Ik moet een zeker geloof hebben.’ ‘Geloven als een kind, het pakketje van geloof gewoon aannemen.’ En daar heb ik jullie mee te pakken, gemeente. Tomas gelooft hier als een kind. Tomas heeft duizend-en-één vragen. Dat kom ik op catechisatie ook tegen: ik heb er een paar kinderen bij zitten, die stellen mij een vraag, waarvan ik dan denk en ook zeg: daar heb ik nog nooit over nagedacht. Dat herkennen we bij onze kinderen, die bij alles wat ze zien of horen, vragen stellen: wat is dat; hoe doe je dat; waarom is dat zo? Je kunt zo een uur verder zijn bij een vraag die een kind heeft.

Tomas stelt vragen aan Jezus, die tot verder verstaan, verder geloven in Jezus de Messias leiden. In het gesprek aan tafel (Johannes 14,5-6) vraagt Tomas naar de weg die Jezus moet gaan, want hij is hier heel eerlijk in het zeggen dat hij het niet weet, waar Jezus naar toe gaat. Die vraag van Tomas nodigt Jezus uit tot een zelfgetuigenis: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Ik denk dat die woorden in het geheugen van Tomas zijn gebrand. Wat is er van die woorden waar gebleken? Jezus’ weg liep door kruis en graf. Tomas heeft die woorden overdacht, heroverwogen. De boodschap van ‘Jezus is opgestaan’ heeft hem door elkaar geschud. Het getuigenis van de andere leerlingen overtuigt hem niet. Hij moet hem met eigen ogen zien, met eigen handen voelen. Tomas doorleeft zijn geloof. Zijn manier van geloven is niet gemakkelijk te noemen. Het moet op bewijzen gebaseerd zijn. Hij heeft geworsteld met Jezus ten tijde van de veroordeling aan het kruis en zijn sterven. Jezus’ dood deed in Tomas aanvechting ontbranden.

Dat merken we zelf ook, als de dood ons leven binnen glipt, dat de waaromvraag over onze lippen kan komen. Ons beeld om naar te leven kan op losse schroeven staan, wanneer we met de dood geconfronteerd worden. Vrome woorden die bedoeld zijn om ons te troosten, kunnen dan niet bemoedigen. Ze kunnen dan wat al te gemakkelijk klinken en ze gaan voorbij aan de realiteit die voor jou als verscheurd overkomt. Het is dan meer dan prettig, als iemand jou aan hoort, er voor je is en zwijgt bij de hardheid van de dood, die het leven voor jou overhoop heeft gehaald. Ik denk haast zeker dat de andere leerlingen niet hebben geluisterd naar de vraag achter de vraag van Tomas om bewijs. Zo vol waren zij van hun ervaring met de Opgestane Heer, dat zij als een vastzittende grammofoonplaat die gebeurtenis herhaalden en herhaalden. “Dat moet jij ook geloven: we hebben de Heer gezien!”

Zo simpel stapt Tomas niet over zijn vragen heen. Hij merkt bij deze derde verschijning van Jezus, dat Jezus hem heeft gehoord. Jezus weet dat die vragen voor Tomas belangrijk zijn, want zij verdiepen zijn geloof, dat Tomas zeer kostbaar en dierbaar is. Zijn twijfel, zijn ongeloof werkt als een aansporing om met geloof in Jezus die leven geeft, bezig te zijn. Om dit eigen te maken. Tomas is nooit klaar en dat bedoel ik niet verkeerd. De vele vragen leiden hem op het pad van de Messias. “Doe ik het wel goed? Is er nog iets waar ik op moet letten?” In dit innerlijk tweegesprek (!) komen al die vragen voorbij. Misschien laat Tomas de Tweelingziel ons iets zien, hoe ook wij kunnen geloven in Jezus Christus. Dat het soms niet hemel hoog is, juichend God ten lof, maar dat ook wij in onze vragen met betrekking tot geloven er mogen zijn. Dat je ook met je vragen kunt geloven en dat je naast je vragen je geloof mag uitdragen, zoals Tomas hier ook doet.

Als er alleen maar vragen zijn, dan kan dat wat cynisme in de hand werken. Dat je bitter, wrang overkomt. Maar Tomas toont zich met zijn vragen als een toegewijd gelovige die met goedkope woorden niet zo veel op heeft. Tomas kent de prijs van geloven, dat het ook wat van hem vraagt. Geloven is meer dan wensgeloven, dat zegt dat God alles voor je doet, maar waar jij niets hoeft te doen, want genade krijgt je toch om niet? Tomas worstelt met God, maar hij worstelt zich niet los van God. Geloof is niet iets om je ervan te bevrijden, maar via de niet altijd even gemakkelijke vragen maakt Tomas zich vrij om in het leven te staan. Om te zien wat het is, dat belangrijk is om geloof in Jezus de Zoon van God je eigen te maken. Tomas laat ons zien dat we ons hele leven lang God mogen bestoken met onze vragen – een lied gaat hier ook over: geloof om veel te vragen, te vragen honderd-uit (lied 841), dat geloof ook gaat om de verwondering die we om ons heen zien gebeuren. Dat wensen we Tim ook toe en daarmee ook onszelf: dat wij mogen leren leven vanuit de verwondering van geloof, dat de dood overwonnen is, dat onze hoop in Jezus is, die ook mijn Heer, mijn God is. Vanuit deze verwondering ten leven mogen wij verder gaan, met het geloof in Pasen voorop, dat wij bevrijd zijn om in Jezus’ naam te leven. Daar mogen wij nu al mee beginnen en heel ons leven lang mogen wij God vragen om de gave van moed om te veranderen wat ik kan veranderen. Om wijsheid om te accepteren wat ik niet kan veranderen. Om inzicht om het verschil tussen beide te zien” (citaat van Reinhold Niebuhr) Ik hoop dat ik vandaag van het beeld van de ongelovige Tomas een beetje heb kunnen afbreken om te laten zien, dat Tomas ook jou mag voorgaan om met al jouw vragen werk te maken van geloven in Jezus, die opgestaan is. Dat wens ik jou ook toe: de vragen om jouw geloof in Jezus kracht te geven, opdat dit geloof jou alles waard moge zijn. Amen.