Preek, gehouden op 18 juli 2021, Daniël 1: 1 – 21

Ds. Rina Mulderij

Korte toelichting bij Daniël  
Deze zomermaanden houd ik een preekserie over het boek Daniël. Het boek valt globaal in twee delen uiteen in verhalen aan het hof te Babel en visoenen. De verhalen aan het hof bestrijken ongeveer een periode van 55 jaar, vanaf de Babylonische ballingschap bij koning Nebukadnessar tot de opkomst van de Perzische koning Cyrus, die de Joden terug naar Jeruzalem laat gaan, waar zij de tempel en de stadsmuur weer opbouwen. Daniël krijgt een belangrijke functie aan het hof. Hij staat bekend om zijn wijsheid en scherpzinnigheid.

Het tweede deel van het boek beschrijft hoe Daniël vier visioenen krijgt. Deze visioenen zijn in geheimzinnige beelden en taal geschreven, die gaan over de loop van de geschiedenis. Dit deel van het boek is een voorbeeld van apocalyptische literatuur, die van invloed is geweest op het Nieuwe Testament, vooral op het boek de Openbaring van Johannes. Het boek Daniël staat in de Hebreeuwse Bijbel op een andere plek dan in deze Bijbel, namelijk tussen de boeken Ester en Ezra in, want die gaan over de periode van de Babylonische ballingschap en vlak daarna.

De gebeurtenissen in het boek Daniël zijn geplaatst in de tijd van de Babylonische ballingschap. Op basis van historisch onderzoek en studie van de taal en stijl van het boek wordt aangenomen, dat het boek in zijn huidige vorm stamt uit de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus, zo rond 165 voor Christus. De auteur heeft namelijk goede kennis van de geschiedenis na de dood van Alexander de Grote (323 voor Christus) tot en met het koningschap van Antiochus Epifanes (175-164 voor Christus).

Op de achtergrond van het boek Daniël speelt het verzet van de Makkabeeën: de verhalen over de Makkabeeën staan in de Deuteroncanonieke boeken. Zij streden tegen de wrede Griekse heerser Antiochus IV Epifanes. Ze verzetten zich vooral tegen de toenemende Griekse invloed op de Joodse godsdienstige en culturele gebruiken. De auteur van Daniël schrijft niet openlijk over dit verzet, maar via verhalen over een eerdere periode.

Gemeente van Jezus Christus,

Er is in en om ons een strijd gaande. Hoe blijf jij bij het geloof? Het kan elke dag een strijd zijn om jezelf gericht te houden op God, die ons al zijn liefde heeft gegeven. Ik geloof ook dat dit een uitdaging is om deze goede boodschap dat God van ons houdt, te verkondigen in een wereld, waar vertrouwen soms ver te zoeken is, waar er een cultuur van eenheid je wordt opgelegd, waar het gevaarlijk kan zijn om je als christen te profileren. Ook hier in Nederland is het zoeken naar: hoe geef ik op een gezonde, opbouwende manier gestalte aan mijn geloof? Hoe blijf ik erbij, dat Jezus mijn redder is, van wie ik alles mag verwachten? Hoe mag ik zijn liefde voor mij ervaren? Niet alleen op zondag, maar ook op al die doordeweekse dagen, dat ik uiting geef aan: hoe loof ik God, hoe verbind ik mij met zijn Woord, hoe zet ik geloven om in doen, dat het niet alleen bij mooie woorden blijft, maar dat het ook tot daden leidt.

Binnen Daniël is er ook strijd. Strijd om geloof in de God, de Heer van Israël tegenover de koning van Babylonië, die zich als een heertje opstelt. Daniël is samen met zijn volksgenoten Chananja, Misaël en Azarja weggevoerd uit Jeruzalem. Zeer waarschijnlijk zaten zij bij de eerste lichting ballingen in Babel. Ze zijn nog niet zo oud, zo rond de vijftien, zestien jaar, maar ze zullen niet ouder dan twintig jaar zijn geweest. De Babylonische koning Nebukadnessar selecteert hen voor de opleiding, omdat hij van hen echte Babyloniërs wil maken. Hij wil hen lossnijden van hun achtergrond. Ze zullen wellicht weinig contact met hun familie hebben gehad tijdens deze periode. Vervolgens krijgen ze alle vier een naam die de Babylonische koning meer passend vindt: Prins van Bel, de godheid van Babel (Beltesassar), grote schriftgeleerde (Sadrach), gast van de koning (Mesach), slaaf van Nebo, ook een godheid uit Babel (Abednego). Zo hoopt hij deze vier jongemannen te assimileren, zodat zij aan hem verbonden zijn. Tijdens hun opleiding leren zij de taal van de Chaldeeën, dat zijn de Babyloniërs. Zo lezen ze geschriften van politieke, maar ook godsdienstige aard. Vervolgens krijgen zij te eten van de tafel van de koning. Dat lijkt in eerste instantie onschuldig, maar in de context van het oude Babylon betekende dit, dat als de koning jou voedde, dat je dan een verbond met hem aan ging. Jij was dan van hém. Zijn bezit. De hand die jou te eten geeft, bepaalt wat je doet. En ja, je bent wat je eet, is dan ook van toepassing.

Dit gebruik van het eten van de tafel van de koning was dus verbondsvormend. Het sneed alle banden door die je had, dus ook die band die jij als Jood had met God. Daniël heeft dat door. Wellicht treedt hij hier op als leider van deze jongemannen, die trouw aan God willen blijven. In de strijd om hun ziel krijgt hij het bij de hoofdeunuch Aspenaz voor elkaar, dat hij een proef van tien dagen mag doen met water en groente. En alle vier doorstaan ze deze test met glans. Ze krijgen toestemming om tijdens die drie jaar niet van de tafel van de Babylonische koning te eten, zonder dat Nebukadnessar dit door heeft. Sterker nog: met Daniël, Chananja, Misaël en Azarja kan geen van de anderen zich meten. Ze komen uiteindelijk bij de top van de top terecht. De Babylonische koning luistert goed naar hun raad, wanneer hij een vraag aan hen voorlegt. Dat duidt op een zekere vertrouwelijkheid.

Die zegening van wijsheid, kennis en verstand van alle geschriften plus de uitleg van dromen en visioenen die Daniël als enige hier ontvangt, die zegen komt bij God vandaan. God is in dit verhaal op de achtergrond aanwezig als dragende kracht, als bron van alle wijsheid. God schenkt ook Daniël de kracht om bij het verbond te blijven, om loyaal te zijn vanuit liefde voor God, die Daniël alles heeft gegeven. Ook in den vreemde is God bij Israël gebleven. Dat vormt een bron van troost en bemoediging voor wie de schrijver van Daniël heeft geschreven in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus. Ook Joden in Palestina voelden zich toen door de vreemde overheerser Antiochus de vierde Epifanes (175-164 voor Christus) onderdrukt, nu zij in hun religieuze praktijken en gebruiken beperkt werden en mee moesten doen aan niet-joodse feesten. Bij voorbeeld aan een feest van de Griekse god van de wijn, Dionysus werden joden gedwongen om mee te doen en veel wijn ‘van de koning’ te drinken. Dus daar komt de weigering van Daniël om wijn van de tafel van de koning vandaan, want als je mee doet aan zo’n heidens feest, dien je een andere godheid dan Ik-zal-er-zijn. In de strijd die de Makkabeeën hebben gevoerd om onafhankelijk van de Seleucische overheersing te raken, zal het boek Daniël hun troost en moed hebben gegeven. God zal hen uiteindelijk bevrijden vanuit deze geschiedenis van onderdrukking door vreemde overheersers, opdat zij zullen leven in het hemels Koninkrijk. In Daniël zien we dus al lijntjes die met de goede boodschap van Jezus te maken hebben: hier zien we al wat zaadjes die later verder tot bloei komen.

In de Makkabese opstand om vrijheid ging het ook om: bij wie horen wij; zijn wij van de koning of van God, met wie onze voorouders een verbond hebben gesloten? Ook aan jou, aan ons is de vraag: ‘en van wie zijn wij nu? Bij wie horen wij? Hoe vrij ben jij in jouw bestaan? Willen we niet te veel mee doen met wat er in de wereld leeft aan een houding van vrijheid, blijheid? Waar vrijheid de afgelopen tijd vooral werd opgevat als: je mag weer feesten, je mag weer de beest uithangen, maar hier ligt uiteindelijk niet de vrijheid in, dat je er maar op los leeft zonder God en gebod. Of waar criminelen de dienst uit willen maken, door de waarheid te mond te snoeren, zoals we werden opgeschrikt door de moordaanslag op Peter R. de Vries en een paar jaar terug op advocaat Derk Wiersum, wiens moordenaars deze week veroordeeld zijn. Is het soms vrijheid om alles wat niet in jouw straatje past om dat dan maar dood te maken, letterlijk en figuurlijk? De verbondenheid aan elkaar geeft ons vrijheid om te leven, waar wij elkaar respecteren. Waar wij elkaar in waarde laten en niet onze levensovertuiging opdringen of dat wij ons geloof maar laten varen, want wat zullen zij er wel niet van zeggen?

Daniël biedt ons een voorbeeld aan voor: hoe blijven wij trouw aan God en aan onze geloofsovertuiging? En dat levert strijd op met de wereld en zo ook strijd in onszelf. Waar doe ik goed aan als christen, als volgeling van Jezus? Het vraagt moed om je teweer te stellen tegen al die machten en mensen die jou klein willen houden, die jou willen laten buigen. Welke Nebukadnessars kennen wij niet in ons leven, die ons willen plooien naar wat zij willen, waar zij ons met angst aan de riem willen houden? Daniël blaast met zijn verzoek van tien dagen proeftijd niet hoog van de toren, maar hij weet zich verbonden met Diegene die de Schepper is die alles schenkt. Nederig is hij overtuigd van die basis en vanuit die relatie met God bouwt hij zijn leven op langs de leefregels die God ieder mens heeft geschonken. Daniël groeit op en leert bij, wetende dat het leven niet zonder slag of stoot zal zijn. Strijd tussen geloof en ongeloof zal met hem meegaan, waar hij ook gaat of staat. Er zijn mensen die afgunstig zijn en die je in de val willen lokken. De strijd zal niet altijd gemakkelijk zijn. Het kan je onrustig, moe maken tot op het punt van opgeven. Strijden levert uitdaging in het leven op, zoals ook Daniël zichzelf die weet op te leggen. Hij doet dat met vertrouwen op God. Hij is dus niet roekeloos, maar er is wellicht wel sprake van enige jeugdige bravoure, die pubers soms zo kunnen hebben, dat het zwart of wit is. Maar ook jonge mensen kunnen ons inspireren om het vuur van ons geloof brandende te houden. Het vraagt ons om te zien Wie er bij ons is in het heetst van de strijd. Als we dat beseffen, dan weten we dat na een donkere nacht Gods licht zal dagen. Dat geloof wil van ons moedige mensen maken, die het kwade met het goede overwinnen, want dat maakt uiteindelijk deze strijd ten Leven goed. Amen.