Preek gehouden op 12 september 2021, Daniël 12: 1-13 plus Johannes 11: 23-27

Door Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Ik hoor het wel eens iemand vragen: wat gebeurt er met mijn man, mijn oma, nu ze er niet meer zijn? Tijdens een begrafenis leggen we iemand in de aarde, als zaad wachtend op de jongste dag die komen zal. Of als as die zich met de aarde herenigd heeft. De liefde en de herinneringen blijven. Soms vertelt een ouder aan een kind, dat opa nu een sterretje aan de hemel is. Elke nacht kijkt hij vanuit het licht naar ons. Dat beeld van stralende sterren aan de hemel is ouder dan de weg naar Rome. We komen het al bij Daniël tegen. Het is een troostvol, bemoedigend beeld. De verlichten zullen uit het stof ontwaken en stralen als het fonkelende hemelgewelf, als sterren die eeuwig en altijd blijven bestaan. De symboliek ontgaat ons niet na een dikke tweeduizend jaar. Het spreekt tot onze verbeelding, dat wie niet meer onder ons is, verder mag leven in Gods glorie. Ook kan ik het me voorstellen dat zoals Daniël het heeft beschreven, dat dit vragen kan opleveren, want dit is de eerste keer in het Oude Testament dat er zo wordt gesproken over een individuele opstanding na het einde van de verdrukking, na de geschiedenis. En daarbij verschilt dit beeld van de opwekking zoals we die uit het boek Ezechiël (37,1-14) kennen, waar de botten die weer vlees en de levensadem ontvangen, hun leven als het ware voort zetten, dat Israël herstel mag kennen na de ballingschap. Net als de opwekking van Lazarus uit Johannes (11) die van een andere orde is dan de opstanding van Jezus Christus. Het mooie aan dit verhaal over de opwekking van Lazarus is dat dit als een opmaat dient tot het getuigenis van Marta, die gelooft dat haar broer uit de dood zal opstaan op de laatste dag. Maar Jezus kijkt met dit laatste teken in het Johannesevangelie al vooruit naar de opstanding, die straks aan Jezus voltrokken zal worden en die werkelijk een nieuwe tijd zal inluiden.

Vandaag hebben we gelezen uit één van de visioenen die Daniël ontvangen heeft. Hij ziet een man gekleed in linnen (Daniël 10,4-10), maar niemand uit zijn gezelschap ziet hem verder. Via deze engel ontvangt Daniël woorden over de toekomst. De toekomst van Israël in de loop van de derde en tweede eeuw voor Christus, wel te verstaan. Israël zucht onder de Seleucische koning Antiochus IV Epifanes, die Joden dwingt om hun godsdienst te verlaten en die in de tempel van Jeruzalem een beeld van Zeus heeft neergezet. Op deze manier is de tempel voor de Joden niet meer heilig. Daar verwijzen de verzen 10 tot en met 12 naar. Voor de Joden rond 167 voor Christus, die zich niet neerlegden bij deze verordeningen van deze vreemde koning, gaf dit woord van Daniël troost, dat er weer een tijd zou komen dat aan deze verschrikkingen een einde zou komen. Na drie en een half jaar, ongeveer 1290 dagen, zou de strijd ten einde komen en het zou nog wat langer duren, zo’n 1335 dagen, dat de tempel weer ontdaan zou zijn van de onreinheid, die het afgodsbeeld veroorzaakte, zodat de heilige offerdienst voor de Allerhoogste, de Ene door kon gaan. Daniël hoort dat ze geduld moeten hebben en daarom zullen ze gelukkig zijn. Maar eerst moeten ze door de verdrukking heen gaan en die zal eerst nog erger worden.

En dat gebeurt ook. In de twee boeken over de Makkabeeën lezen we over de strijd die zij tegen deze koning hebben gevoerd. Zo is ook het verhaal over een moeder met zeven zonen bekend (2 Makkabeeën 7), die de marteldood verkiezen boven het eten van varkensvlees. De moeder sterkt haar zoons, één voor één, die gemarteld en vermoord worden, dat zij hun geloof niet los laten, maar het vastgrijpen in de gedachte dat God, “de Schepper van de wereld…. zal jullie in Zijn barmhartigheid de levensadem terug geven.” Terwijl deze moeder haar zoons bijstaat met deze overtuiging, wordt zij zelf ook gemarteld en zij sterft als laatste. De periode van de Makkabese strijd was geen gemakkelijke tijd. Vanuit de Schrift kenden Joden dat God rechtvaardigen lang laat leven, en dat wie onrecht doet, komt eerder aan zijn einde.  En nu stierven rechtvaardigen, zij die hun geloof wilden behouden omwille van de levende Heer. En dat gegeven leverde kortsluiting op bij toch wel een aantal Joden, want zij deden toch geen kwaad? Ze wilden heel hun leven wijden aan Degene die de levensadem schenkt en nu wordt hun leven verkort door een kwaadwillende koning?  Dát ging er bij hen niet in. God zag toch naar hen om, ook nu zij te lijden hadden.

Het probleem van het lijden van rechtvaardigen zorgde voor een probleem, want zij stierven vanwege hun rechtvaardigheid, hun geloof. Zoals Jesaja 53 over de lijdende knecht van de Heer had geschreven – hij stierf om de zonden van het volk. Als zij in deze tijd niet beloond worden voor hun volharding en hun tegenstanders niet gestraft worden, begon die straf en beloning te verschuiven naar het leven ná dit leven. Dát zie ik hier bij Daniël gebeuren. Na de geschiedenis komt de belofte van opstanding, gevolgd door straf voor de kwade mensen en beloning voor wie rechtvaardig zijn geweest. Maar nu in de loop van de geschiedenis zullen allen blijven liggen slapen in het stof, wachtend op de tijd van God, die hen wakker zal maken. Het beeld dat Daniël geeft, is verre van ‘zo is het.’  Het is niet helemaal duidelijk wat hij wil communiceren. Hij benadert het, zoals we ook bij Paulus (1 Korinte 15) tegen komen, wanneer hij het over het opstandingslichaam heeft. Het lichaam zaaien we als zaad in de aarde, waar de Geest het zal transformeren naar het hemelse, het eeuwige. Ook dit beeld van opstanding is niet volledig, maar het geeft ons te kennen, dat de opstanding ten leven met God ons ooit zal veranderen. Het doet een beroep op onze verbeeldingskracht. Het wil benaderen hoe het kan zijn, niet van: zo is het en niet anders.

Deze dingen gaan onze pet te boven. We weten niet hoe de opstanding ten eeuwig leven zal zijn. We hopen en geloven, dat God ook na dit leven ons nabij zal zijn. Ook onze geliefden die we nu al missen aan de dood. Misschien vindt u het een slap excuus dat ik hoe het echt zal zijn, het aan God over laat en bij God laat. Ik houd zelf niet zo van speculaties over het leven na de dood, want het zegt altijd meer iets over degene die het zegt dan hoe het werkelijk zal zijn. Ik kan niet voorbij de grens tussen leven en dood zien. Maar ik hoop. Ik hoop dat God erbij is, als ik het leven los moet laten, als ik allen die ik lief heb, los laat. Ik hoop dat voorbij de dood de dood niet het laatste is, maar het Leven met God-met-ons. Dat God mee lijdt met wie lijden. Dat God de sterken roept tot rechtvaardigheid en vrede, om de wegen van het kwaad te verlaten. Dat God de zwakkeren tot zich roept om vol te houden in wat hen neerdrukt. Ik geloof niet dat het kwaad het laatste woord heeft, maar Gods genade, die groter dan de zonde is. Ik geloof dat Daniël ook ons moed en troost aan biedt. Ook in deze tijd die soms zo moedeloos en verdrietig kan zijn. Dat als wij volharden in de strijd tegen het kwaad, dat Gods glorie over ons kome, helder als de sterren in de nacht. Amen.

Stef Bos, ‘Sterren tellen’, tekst Diggy Dex: https://www.youtube.com/watch?v=1xQvLwBsq34

Na deze verkondiging is dit lied ‘Sterren tellen’ gespeeld.

Diggy Dex schreef het lied ‘Sterren tellen’, nadat een goede vriendin was overleden. Ze stierf veel te jong op 37-jarige leeftijd. Bij de uitvaart stonden haar kinderen van 2 en 5 jaar voor de kist, waarin hun moeder was opgebaard. Dat beeld raakte Diggy niet meer kwijt. Hij schreef er een lied over en dat maakt veel los. Stef Bos werd geraakt door de songtekst. ‘Ik werd er stil van. In dit lied komt het hele leven voorbij,’ zegt hij daarover. ‘Het is niet het liedje, het is niet de zanger, het is de tekst die ’t hem doet. En dat is zo mooi gedaan.’ Bij het schrijven van het lied besefte Diggy Dex des te meer dat hij gezegend is met wat hij heeft. ‘En ik zie niet wat ik heb, pluk de dag jongen, denk ik dan. Pluk de dag en tel je zegeningen. (…) En opeens het besef dat ik gelukkig ben. En ik weet niet waar ik dit aan te danken heb.’ ‘Pluk de dag en tel je zegeningen’. Het nummer moedigt aan om de mooie momenten in het leven te koesteren en stil te staan wat er echt toe doet. Het lied, dat oorspronkelijk een rapnummer is, raakt precies de goede snaar als Stef Bos de volgende tekst ten gehore brengt: ‘Waar draait het echt om? Waar denk je aan als je ligt op je sterfbed? (…) Ik kijk naar boven. En ik tel de sterren.’