Preek, gehouden op 17 april 2022 over Johannes 20: 1-18

Ds. Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

’t Is feest vandaag. Feest, omdat Jezus weer leeft. Zijn weg door lijden en dood betekent geen einde, maar het verhaal gaat door. Zijn verhaal gaat door. Ook met ons, broeders en zusters? Of zitten we na corona ons net iets te veel te fixeren op wat en wie er niet meer is? Klagen we over wat niet meer lukt of vinden we het moeilijk om los te laten, wat ons als gemeenschap van Jezus Christus uiteindelijk niet verder zal helpen? Misschien moeten er bepaalde dingen ‘sterven’, zodat we kunnen zien dat er weer iets nieuws opkomt of dat we het over een andere boeg moeten gooien? Terugkijken op wat eens was, is niet helpend om te zien wat er wel is. Het bruist, het borrelt om ons heen. De natuur laat zich horen in de stemmen van de vogels. De knoppen botten uit. Bloemen richten zich naar de zon. Het is er voor wie het wil zien.

Ook in geloof is er wat nieuws gaande. In onze context is er behoefte aan een groter verhaal. Een verhaal waar wij verder mee komen, individueel en als groep in de diverse vormen en uitingen. Een verhaal dat jou verder brengt in het leven, dat ook al lijkt het nog zo dor en doods te zijn, toch is er weer een puntje van licht, voor jou, voor haar, voor hem, voor ieder die het lef heeft om in het donker op te staan en naar het graf te gaan.

Corona heeft ons geleerd dat ons leven helemaal niet maakbaar is. Die maakbaarheid, da’s een illusie. We staan met lege handen, wanneer ziekte, beperking, lijden of kwaad ons leven binnen dringen. We kunnen ons vanuit onszelf niet ontdoen van krachten die ons leven zinloos willen doen lijken. Of we gaan snel weer over naar de waan van de dag. Gaan we voorbij aan wat de ander geraakt heeft. “Ben je er nou nog niet over heen?” of “heb je nog iets anders meegemaakt, want dit verhaal ken ik nu wel?” Op deze manier verbinden wij ons niet met de ander. Bieden we geen luisterend oor of stellen we juist niet die belangrijke vraag, waarmee we aangeven: “Ik zie je, ik hoor je, ik wil jou goed begrijpen: vertel me eens hoe het echt met je gaat.”

Maria van Magdala zoekt naar de Heer. Ze komt in het donker bij het graf, maar ze ziet dat het graf open is. Ze zet twee leerlingen aan het werk en zelf komt zij ook weer naar de tuin van herdenken. Ze huilt. Ze huilt zodanig dat de engelen haar vragen naar de reden. Ze kan slechts de opmerking herhalen dat “ze mijn Heer hebben weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.” Alsof ze geen verbinding weet te maken met die engelen. Ze wendt zich af van het open graf en ze ontmoet Iemand. Ze denkt dat het de tuinman is, terwijl wij als lezers, als hoorders weten dat het Jezus is. Jezus vraagt ook naar de oorzaak van haar huilen en hij stelt haar nog een vraag: “Wie zoek je?” Een vraag die meer inhoudt, dan dat je op het eerste gezicht zou denken. Het is ook verbonden met de vraag, die Jezus stelt aan het begin van het evangelie van Johannes (1,38) aan twee leerlingen van Johannes de Doper. Daarmee nodigt Jezus hen uit om Zijn leerlingen te worden. Dat gebeurt hier ook met Maria van Magdala. Als antwoord weet zij nu wel een voorzichtige verbinding met de a/Ander te maken, ook al is zij hier nog steeds gefixeerd op, waar zij nu het lichaam van haar Heer hebben neergelegd. In dit antwoord keert zij zich al iets meer naar het L/leven toe, maar ze is er nog niet helemaal. Dat gebeurt pas als Jezus haar naam noemt: “Maria!” Ze hoort die stem met haar hart en haar verdriet verandert in vreugde. Jezus is hier! Ze hoeft niet verder te zoeken. Maria ontvangt van Jezus de kans om Zijn leerling te worden en meer dan dat: Maria wordt de eerste getuige van Jezus’ opstanding en van Zijn Paasboodschap aan haar broeders en zusters om te delen in God als onze Vader en onze God.

Jezus zoekt over de dood heen, ook in dit nieuwe leven naar verbinding. Wat er eens was, is er nog steeds en het krijgt een nieuwe glans. De onderlinge band is niet vernietigd door de dood. Sterker nog: de dood heeft geen grip op Jezus kunnen krijgen. God heeft Jezus door de dood heen tot Zijn bestemming gebracht, opdat er niets meer tussen God en ons mensen in staat. De weg is vrij om met God, “mijn Vader die ook jullie Vader is”, je te verhouden. Deze verandering heeft God in Jezus te weeg gebracht. Van deze goede boodschap is Maria de eerste getuige. Het is een boodschap van liefde en verbondenheid, die zij mag overbrengen aan de leerlingen. Een boodschap, die ook voor ons bestemd is, opdat ook wij geroepen zijn om te delen in de genade die God ons schenkt.

En die gave hebben ook wij eens mogen ontvangen via de mensen die voor ons als getuigen hebben gediend: onze opa’s en oma’s, misschien wel een kind of een vriend of een kennis die er voor jou was, toen jij in je leven vast zat of niet wist, waar je heen zou moeten gaan. Ook vandaag zijn er mensen, zelfs jonge mensen, die in deze kritische, seculiere maatschappij God op het spoor komen, die zoeken naar rust vanuit de hectiek. Een mooi voorbeeld kwam ik tegen bij Jesse en Jessy, die vanuit een niet-gelovige achtergrond tot geloof zijn gekomen. We gaan even kijken naar een fragment van hun interview door Jacobine Geel: https://kro-ncrv.nl/jesse-en-jessy [1.43 minuut].

Geloven is zien dat je het niet alleen kunt of hoeft te doen. God is bij je en Hij wil een relatie met jou. Hij geeft ons leven zin, ook al lijkt het zinloos te zijn. God vult ons met Zijn liefde. Het is op zoek gaan naar Zijn spoor in ons leven. Dat is het avontuur, waartoe wij geroepen zijn om te ontdekken, waar wij opnieuw mogen beginnen, zien waar Gods licht in ons leven mag dagen. Ook in onze gemeenschap mogen wij ervaren dat we in dit nieuwe tijdsgewricht op een hernieuwde manier mogen opademen, ervaren wat bindt ons aan Jezus Christus en aan elkaar. Samen in verbondenheid met Jezus die de Christus wordt genoemd, mogen wij op weg gaan als zijn leerlingen, getuigen van de goede boodschap. Omdat ook wij anderen bij Jezus mogen brengen, zoals anderen voor ons als getuige hebben gewerkt en ons op Jezus, de opgestane Heer hebben gewezen. Ook voor jou wil God jouw God en jouw Vader zijn. Jouw verhaal is verbonden met dit grootse verhaal van God, die in jouw leven komt en die jou, die mij, die ons allen samen met Jezus wil doen opstaan. Om opnieuw te beginnen, Gods toekomst tegemoet. Ik wil afsluiten met de volgende bezinningstekst van wie de maker onbekend is.

Verrijzen is vanuit de dood nieuw leven ervaren.
Verrijzen is niet van vroeger, niet voor later.
Het is nu reeds en daarom wellicht ook later.

Verrijzen is na een donkere nacht
het daglicht als nooit tevoren ervaren.
Vanuit de uitzichtloosheid nieuwe krachten
in zich voelen opborrelen
en met een brede blik het leven weer aanpakken.

Verrijzen is niet lam blijven
maar vechten tegen alles wat mensen klein maakt.
Iets van jezelf prijsgeven,
een stukje leven voor de anderen
en samen nieuwe ruimte beleven.

Verrijzen is ook bevrijding en ontplooiing brengen,
anderen doen opstaan uit ellende en onmacht,
uit gebroken-zijn en oude pijn.
Levenwekkend zijn voor wie ten onder dreigt te gaan.

Verrijzen is opstandig zijn vanuit een bevrijd gemoed,
structuren en systemen ombuigen
en mensen wakker maken uit hun dodelijke slaap.

Mogen wij zo in dit nieuwe leven met Christus gaan. Amen.