Preek, gehouden 14 aug. Judas 1 – 16

Ds. Rina Mulderij

Korte toelichting op Judas

De schrijver van deze brief noemt zichzelf Judas, de broer van Jakobus. In de evangeliën worden Jakobus en Judas genoemd als broers van Jezus. Als de brief echt geschreven zou zijn door Judas, de broer van Jezus, dan zou hij geschreven zijn tussen 50 en 60 na Christus. Maar de in de brief beschreven situatie wijst op een latere ontstaanstijd, namelijk rond het jaar 100: een aantal Nieuwtestamentici noemt deze brief postapostolisch: het gaat om de tijd na de apostelen. Waarschijnlijk heeft de auteur zijn betoog extra gezag willen geven door het op naam van Judas te zetten. Waar de brief is geschreven, is niet bekend, maar men gaat uit van Klein Azië. Judas is een korte brief, gericht aan allen die geroepen zijn. In deze brief worden christenen gewaarschuwd voor een verkeerde uitleg van het geloof. Hoofdthema van de brief is de oproep niet te twijfelen over het geloof zoals dat ‘voor eens en altijd’ is overgeleverd (vers 3) en vast te houden aan wat Jezus’ apostelen hebben gezegd (17). De brief vermeldt dat er mensen de gemeente zijn binnengekomen die vanwege hun handelwijze en ideeën een gevaar vormen voor het geloof. Deze predikers misleiden de gemeente. De auteur stelt dat al vaststaat dat zij gestraft zullen worden en dat het onverstandig is om hen te volgen. Ter onderbouwing verwijst hij naar een aantal situaties, waaruit blijkt dat overtreders daadwerkelijk door God gestraft zijn, zoals de ontrouwe Israëlieten in de woestijn na de uittocht uit Egypte en de inwoners van de steden Sodom en Gomorra. Judas gebruikt in deze brief voorbeelden uit de Hebreeuwse Schrift, maar ook verhalen over de ontrouw van de engelen, de ruzie tussen de aartsengel Michaël en de duivel over Mozes’ dode lichaam en de profetie van Henoch. Deze boeken zijn ontstaan in de intertestamentaire periode (tussen Oude en Nieuwe Testament) en dragen een apocalyptisch karakter, dat wil zeggen gericht op het einde der tijden. Ook zijn deze boeken alleen bekend uit de pseudepigrafen, uit de buitenbijbelse joodse traditie. Dit heeft ertoe geleid dat er in de vroege kerk discussie was over de status van het boek Judas: als de schrijver gegevens uit niet-canonieke geschriften in zijn brief opnam, kon de brief zelf dan wel canoniek zijn? Uiteindelijk is de brief wel in de canon opgenomen.

Gemeente van Jezus Christus,

Het valt me vandaag zwaar om u deze verkondiging over het boek Judas te brengen. Ik heb me ingelezen in de materie. Ik heb het in de week gelegd. Tijdens de preekmeditatie wilde ik zelfs het nog over een ander deel uit de Bijbel doen. Maar ik moet. Niet van mezelf. Een preek kost het spreekwoordelijke bloed, zweet en tranen. Ook mij. Vooral de tranen dit keer. Ik besef dat het spreken over de schaduwzijde van geloof, waar het mis gaat, waar de goede boodschap gecorrumpeerd raakt, bedekt onder een laag van eigen gewin, misbruik, hebzucht, verweer tegen Jezus als Heer en tegen de Tora van God – dat spreken hierover, dat gaan we het liefst uit de weg. Of het ontaardt in potje vinger wijzen naar die ander of dat clubje ongelovigen. Het internet staat er vol van met teksten, films en podcasts. Maar vandaag wil ik niet met modder gooien. Zo van: die zijn fout, die pakken het verkeerd aan. Maar er staat iets meer op het spel. Het gaat om mensen die de goede boodschap te niet doen met hun gedrag. Die denken, omdat zij op een ander niveau van geloven zijn beland, dat ze daarom boven de wet van God staan, die niet meer Jezus als Heer nodig hebben.

Al in de vroege kerk ging het mis met rondtrekkende predikers die vooral voor hun eigen buik en eigen voordeel hun beste beentje voor wilden zetten, want je kunt best een lekker slaatje slaan uit dat verkondigen van Jezus. En daar zitten we niet eens zo ver van af, gemeente. Ook nu weten leiders van kerken zich boven de regels van God te plaatsen, misbruiken ze hun macht door op de glijdende schaal zich te begeven, want dit hoeft niemand te weten. En als jij het vertelt, dan weet God jou te vinden: zo weten ze het te brengen.

Dat iemand dit kan doen en zeggen vanuit Gods naam, die zich niet oprecht door Gods Geest laat leiden om dit goede werk te doen – dat is iets dat mij pijn doet. En ik kan er niet bij, dat iemand die zich zou inzetten voor God, zich dienstbaar opstelt voor Jezus Christus, dat iemand dan het te niet doet door wetteloosheid, door gedrag dat sporen achter laat, dat mensen kwetst. De goede boodschap lijdt hierdoor schade en staat schandelijk te kijk. De oprechtheid om Jezus te volgen, door Gods genade je te laten leiden als bevrijde mens, wordt afgebroken en dat doet pijn, gemeente. Het geeft mij verdriet, wanneer dit gebeurt. Het levert teleurstelling op en ik kan meevoelen met deze Judas, dat hij de geroepen geliefden oproept om te strijden voor het geloof. Ik snap het, dat het vaak lastig kan zijn om in de kerk niet zo bij het negatieve te blijven hangen, maar de Judasbrief laat wel de noodzaak zien dat we als gelovigen het goede van het foute weten te onderscheiden. De waarheid in Christus willen we aan het licht laten komen. En misschien mag het ook wel eens gaan over heilige woede.

Over woede hebben we het al niet zo vaak. Woede gaat ondergronds of het komt explosief als een vulkaan naar boven. Helaas herken ik dat ook bij mezelf. Aan de ene kant is er die angst – laten we het er maar niet over hebben, bedek het met de mantel der liefde, ‘hij of zij zal het wel niet zo bedoeld hebben – die angst zorgt ervoor dat je iets niet ter sprake wilt brengen, maar aan de andere kant heeft boosheid ook te maken met een grens die een ander overgaat. En niet één keer, maar telkens weer of zien we iets onrechtvaardigs in het gedrag, in waar mensen zeggen goed te doen, maar waar verschillende katten in het donker worden geknepen. Ook hebben we in ons geloof vaak niet goed geleerd hoe gaan we goed om met boosheid. Je mag niet boos worden, want dan ben je geen goed christen of “Als u boos wordt, zondig dan niet: laat de zon niet ondergaan over uw boosheid, geef de duivel geen kans. (Efeziërs 4:26-27)”

Maar er zijn zaken, gemeente, waar wij ons oprecht boos over mogen maken. Ook in geloof leggen wij grenzen neer, waar we willen dat anderen die respecteren, dat ze goed met ons omgaan. En als het dan mis gaat, gaat het goed mis. Waar moeten we heen met ons verdriet en teleurstelling, want die dingen verschuilen zich vaak in geuite woede, zeker waar die woede destructief is geworden, blind om zich heen slaand en anderen raakt die niet met die woede te maken hebben. Ook in onze samenleving zitten er veel woedende mensen, die zich niet gehoord en niet gezien voelen, die zich verzamelen in groepjes die meer en meer los van anderen komen te staan. Waar niemand zich afvraagt: “is dit wel goed, wat we doen?”, waar kritische noten niet gekraakt worden. Waar we de rekening van de woede niet bij de juiste persoon leggen, maar iemand anders ermee treffen, die er helemaal niets mee te maken heeft.

De Schrift is een geweldige vindplaats van mensen die zich door hun woede hebben laten leiden en Judas past hen als voorbeelden toe. Kaïn sloeg zijn broer Abel dood, omdat hij – zo is een opvatting – eigenlijk zijn offer niet vanuit oprecht geloof had gegeven, meer van ‘zo hoort het’. Of een Bileam die vanuit hebzucht wel wat wilde verdienen aan geloof, maar zo als een valse profeet gevallen is. Korach die geen Mozes boven zich duldde, maar die door middel van rebellie Mozes van de troon wilde stoten. Judas gebruikt ook het voorbeeld van Israël in de woestijn die murmureert, zeurt en zaagt, dat ze liever weer slaaf in Egypte wil zijn dan als een bevrijd volk voor God wil leven: liever een goed gevulde maag daar, dan hier met honger in vrijheid verbonden aan een God die werkelijk redt…

Judas belicht vooral de woede die met de duivel verbonden wordt en die woede leidt tot ondergang, tot een leven zonder God, waar je het zonder Zijn liefde moet stellen. Ook dat doet God pijn. God is in Zijn liefde relationeel van ons afhankelijk. Hij kan ons niet dwingen om van Hem te houden, laat staan in Hem geloven. Dwang is ook geen teken van liefde. Gods liefde is vrijelijk te geef vanuit Zijn genade die via Jezus Christus bemiddeld is in zijn lijden, sterven en opstanding. Dit is voor mij een minimale ondergrens in geloof en voor dat geloof mogen we opkomen, het niet verkwanselen, omdat het een ander beter uit komt, door met stroop om de mond te smeren, omdat die ander dat liever hoort, dan dat je over het oordeel van God het hebt – want God laat het kwade niet onbestraft.

Zo mogen ook wij het kwade geen voedingsbodem geven in onze kerk. Maar dat is gezien het verleden en wat er nu nog steeds gebeurt, best ingewikkeld te noemen. Als we dat niet doen, dan gaat dat woekeren en vernietigt het werk, waarmee wij verder bouwen aan het bouwwerk van de goede boodschap. Denk aan de seksueel misbruikschandalen in de Rooms Katholieke kerk en bij de Jehova’s getuigen, die ook een schaduw op andere kerkgenootschappen hebben geworpen. Ook binnen ons kerkgenootschap van de PKN zijn er mensen die met een vroom masker op kwaad willen toestaan en bedekken. Ik pleit ons dus niet vrij van het kwaad.

Ik besef maar al te goed dat we geen heiligen zijn, maar mensen die willen werken aan Gods Rijk en aan onszelf: hoe komen wij in Gods liefde meer en meer tot onze bestemming? Wat leggen wij af wat fout is gegaan? Waar laten wij ons redden uit zonde? Hoe geven wij ons over aan Gods liefde vanuit de vrijheid die ons in Jezus Christus geschonken is? Dat betekent dat we niet alles over onze kant moeten laten gaan, wat een ander ons wil aandoen of toe wil dwingen. Dat is één kant. Het is ook bij onszelf zien, waar wij ons laten enten op de goedheid van God, waar wij ons door Zijn Geest laten leiden naar Zijn Rijk van vrede en liefde: waar is ons denken en doen gericht op God en waar vallen wij in zonde, in kwaad? Wetende dat het leven niet altijd zo zwart-wit is, is dat een levenslang proces van vallen en opstaan. Daarbij mogen wij ons oog gericht op God houden, op de goede boodschap van Zijn Zoon en we mogen ons openstellen voor Zijn Geest, die ons vruchten ten goede geeft: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5,23-24). Maar geloven is niet vrij van strijd. Ons geloof wordt op de proef gesteld door het kwade, waar het gaat om de goede strijd die verbonden is met God en Jezus, waar wij het kwade van ons af willen laten branden zoals een zilversmid zilver zuivert door de slakken te verbranden. Voor elk van ons ligt die strijd net wat anders, maar de kern gaat om: op welke manier ben jij een levend getuigenis van Gods liefde voor allen hier op aarde?
Amen.