Preek, gehouden 11 sept. ,Lucas 15: 1 – 10

Ds. Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Palestijnse schapen zijn van een ander kaliber dan de schapen die we hier in Nederland kennen, die met hulp van honden en een herder voortgedreven worden over de heide. Palestijnse schapen volgen door op de stem van de herder te reageren, omdat ze die vertrouwen. De herder roept zijn schapen en zij reageren met hun geblaat. Zelfs als er twee kuddes door elkaar heen lopen, zo is mij verteld, kunnen de herders hun eigen kudde bijeen roepen en de éne kudde maakt zich dan los van de andere, omdat ze de stem van hun herder horen. Een schaap dat verdwaalt, kan de stem van de herder niet meer horen en raakt dan verder van de kudde af. Ook een val kan ervoor zorgen dat een schaap niet meer achter de herder aan kan komen. Zo’n dier raakt verloren, staat bloot aan gevaren. Het zal een tijdje hebben geduurd dat de herder erachter kwam, dat dat ene schaap er niet meer was. Wat doe je dan? Je roept het schaap, maar je krijgt geen antwoord. Dan ga je verder zoeken. De rest van de kudde graast als het een lieve lust is, maar je bent niet gerust op dat ene schaap. Je maakt een keuze om naar het verloren schaap te zoeken. Die kudde redt zich wel even. Een schaap in het oude Palestina had een grote economische waarde – niet voor niets werden er vaak lammetjes geofferd, want je gaf iets dat van waarde was aan God. Het kwijtraken van eentje was een economische ramp. Als herder ging je er achter aan. Zette je jouw leven op het spel om het dier te redden, te vinden. Ik weet niet hoe realistisch dit verhaal van Jezus is over één schaap, dat teruggevonden wordt, want de herder roept zijn vrienden en buren bijeen om samen blij te zijn en dat samen blij zijn, deden ze door samen te eten. Dus: zou zo’n herder een feestelijk diner houden, dat in kosten de waarde van één schaap overstijgt? Zou een herder zo blij zijn, dat hij kosten noch moeiten spaart om te vieren dat er ééntje is terug gevonden? Dat lijkt me sterk.

Als één schaap zo kostbaar is, hoe zijn wij dan wel niet kostbaar in Gods ogen? Als er één van ons afdwaalt, zetten wij dan alles op alles om die ene terug te vinden? Of blijven we lekker veilig grazen bij de andere 99? En als die ene weer gevonden is, hoe reageren wij dan? Gelaten, schouder ophalend, het zal wel of mogen we ook ons laten kennen als een blije gemeente, vreugdevolle mensen, omdat God die ene weer heeft terug geroepen? Ik ben bang dat we niet altijd zo uitbundig reageren. Deels valt dat te verklaren vanuit de volksaard, daar weet ik zelf ook van alles van, dat ik niet op de banken sta te juichen. Doe maar gewoon, reageer rustig. Maar kijken we naar het beeld van God, dat Jezus hier geeft, dan mogen we daar wel een voorbeeld aan nemen.

God is rijkelijk verheugd, als er één zondaar is terug gekeerd. God rust niet, laat het er niet bij zitten, als er één mist. IJverig zoals ook de vrouw naar dat éne muntstuk in het donkere huis zoekt, verlangt God ernaar om het verlorene te vinden, naar wie om welke reden ook is afgedwaald. En als er ook maar één van de honderd, één van de tien en zelfs één van de twee wordt gevonden, is Gods vreugde zo groot en aanstekelijk dat het de hele hemel met alle engelen vult. Er hoort weer één naar Gods stem. Er is weer één die Gods liefde wil ontvangen. En dat maakt dat God Zijn vreugde wil delen.

Zo is er ook vreugde in de hemel om alle tollenaars en zondaars die Jezus opzoeken om hem te horen, maar er is een categorie mensen die daar aanstoot aan neemt, die liever mort uit ondankbaarheid en ongeloof, dat God zich zo voor het verlorene inzet en jou ook nog eens vraagt: “wees blij met mij! Deel in mijn vreugde!” God is hier geen dwingeland die vindt dat jij als gelovige, als deel van Zijn gemeenschap in Christus, dat je altijd maar blij moet zijn, maar ik geloof dat we als gemeenschap in Jezus’ naam best wel wat meer vreugde naar onze omgeving mogen uitstralen. Ook naar dat deel dat niks van de kerk of zelfs niet van Jezus wil weten. Paulus zegt het ook: “Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen” (Filippenzen 4,5). In het verlengde daarvan wil ik vragen: hoe laten wij ons kennen als vreugdevolle mensen? Hoe blij zijn wij als iemand weer terug keert bij God? Of hebben we eerder iets van: ieder voor zich en daar hoeft een ander zich niet tegen aan te bemoeien?

Ik denk dat we best wel wat op het terrein van blijdschap te winnen hebben als gemeenschap van gelovigen, als we leren zien met Gods ogen, als we ons laten enten op het goede in het geloven. Geloven vraagt van ons dat we dankbaar in het leven mogen staan en dat we blij mogen zijn om alles wat God doet, ook wanneer iemand terugkeert na verdwaald te zijn, vastgelopen in zonde, want mensen kunnen zo in die valstrik gevangen zitten. Hoe gaan wij dan met hen om? Ik wil dat doen aan de hand van een voorbeeld. Er belt een dorpsgenoot, die niet zo’n goede staat van dienst heeft, bij u aan. Hij, zij weet van u dat u naar de kerk gaat. ‘Jij hoort toch ook bij die club van Jezus? Ja, toch? Ik wil eens een keer met je mee naar die kerk. Hoe laat moet ik bij je zijn?” Wat doet u? U houdt zich van de domme: “die wil ik niet naast me in de kerkbanken hebben?” U geeft een verkeerd tijdstip op en gaat naar de kerk, alleen. Je nodigt je dorpsgenoot naar binnen: “iemand die zo geïnteresseerd is in Jezus, die kan ik niet op de stoep laten staan.” Eerst een kopje koffie, thee of misschien wel een flesje bier en een goed gesprek. “Hoe kan het dat Jezus hem roept, vandaag nog wel?” Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Iets om dankbaar voor te zijn, dat God juist hem of haar heeft weten te vinden. En je neemt deze dorpsgenoot zondags mee. Ik denk dat we toch nog best wat weerstand kunnen ervaren om zo’n iemand te verwelkomen in onze gemeenschap, om wat in te schikken, om werkelijk gastvrij ons open te stellen – ’t staat wel in ons beleidsplan dat wij een gastvrije gemeente willen zijn, waarbij we respectvol met elkaar omgaan. Willen we daar echt werk van gaan maken, gemeente, of staat het er gewoon leuk, omdat iedere kerk dit over zichzelf zegt? Als wij gastvrijheid daadwerkelijk serieus willen nemen, vraagt dit wel wat van ons. Mag ik jou, u uitdagen om deze weken eens een praatje te maken met iemand je niet kent of die er anders dan jij eruit ziet? Of ga straks bij het koffiedrinken eens bij mensen zitten die u nog niet zo goed kent en ontmoet die ander. Wees oprecht benieuwd naar wat maakt dat die persoon hier komt en ga het gesprek aan. Het mooie is dat je op deze manier de vreugde kunt vermeerderen, want bij God wordt de vreugde niet minder, maar neemt het wonderlijk toe, als je het deelt. Het gaat om delen in de blijdschap, dat ook die ander Gods stem heeft mogen horen net als jij. Die herkenning mogen we aan elkaar kenbaar maken, want vanuit Gods vertrouwen mogen wij allen leven. Amen.