Preek, gehouden 2 okt. Mattheüs 7: 15 – 23

Preek gehouden op 2 oktober 2022, Matteüs 7,15-23, cantate BWV 45 “Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist”

Door ds. Rina Mulderij

Deze dienst is nog te beluisteren via de kerkomroep

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Bach heeft mijn lied gebruikt als koraal om de cantate die u zo meteen zult horen, af te sluiten. Zo’n honderd jaar, nadat ik dit lied in 1630 gepubliceerd had, heeft Johan Sebastiaan Bach dit lied gebruikt. Wellicht heeft hij mijn bundel “Haus- und Herz-Musica” bij de hand gehad en daar het lied “O, Gott, du frommer Gott” gezien. Ach, ik vergeet me helemaal aan u voor te stellen. Ik ben Johann Heerman (1585-1647). Mijn wieg stond in Raudten, Silezië, dat nu in Polen ligt. Mijn vader was bontwerker en hij behoorde tot de middenklasse, een protestantse familie. Ik ben de enige van mijn vaders zonen die de volwassen leeftijd bereikt heeft. Toen ik als kind zelf zo ziek was, heeft mijn moeder zo vurig tot God gebeden dat als ik het zou overleven, dat ik dan zou gaan studeren voor dominee. Ik zal u niet vermoeien met wat ik allemaal heb meegemaakt, maar ik ben naast de studie theologie leraar voor enkele jongemannen van adel geweest. Met het vuur van poëzie ben ik als zeventienjarige al aangestoken. Ik maakte gedichten en reciteerde die voor wie het maar wilde. Ook tijdens mijn predikantschap in Köben (1611-1637) bleef ik dichten en geestelijke liederen maken, ook al was ik vaak ziek. Mijn ogen, oren, keel hebben vaak met infecties te kampen gehad, zo erg dat ik vanaf 1624 niet meer vanaf de kansel Gods Woord kon brengen – een dominee die niet kan spreken, want een speling van het lot. Mijn hoofd bleef goed, dus de preken bracht ik uit. Zo kon ik toch mijn taak als dienaar van God blijven uitoefenen. Ook in mijn persoonlijk leven kreeg ik met tegenspoed te maken. Mijn eerste vrouw Dorothea stierf kinderloos (1617). Ik hertrouwde met Anna Teichmann (1618) en zij schonk mij drie zonen en één dochter. Köben stond midden in de vuurlinie van de Dertigjarige oorlog (1618-1648). Ik ben de tel kwijt geraakt, maar minstens vier maal verloor ik al mijn have, doordat Katholieke troepen Köben plunderden. Ook de pest waarde een paar maal rond: verscheidene lieve gemeenteleden verloren het leven. Ik stond vaak bij het graf om hen de laatste eer te bedienen. Op dokters advies ben ik gestopt met het predikantschap en ik trok me terug in Leszno, bij de grens met Polen. Daar blies ik dan ook de laatste adem uit in 1647.

Hoe houdt een mens het in dit alles vol? Zo veel tegenslag, tegenspoed? Het maken van poëzie en geestelijke liederen hield me op de been. Ik kon er mijn gevoel, mijn geloof in kwijt, dat ook al kon ik vanwege een slechte gezondheid niet veel doen – ik heb toch gedaan wat ik kon. Binnen wat in mijn kracht lag, heb ik me ingezet voor het goede dat God van ons vraagt (Micha 6,8; koor 1 van BWV 45). Wat er ook in je leven speelt, het is geen excuus om het goede niet te doen of in het geloof in God je er bekaaid er van af te maken, of zoals onze Heer Jezus het zegt: “niet ieder die “Heer, Heer” zegt, zal het Koninkrijk van God ingaan.” God vraagt geen lippendienst van ons, dat we slechts met de mond ons geloof belijden. Spreken over de liefde gaat gepaard met de liefde belichamen, het voortbrengen in ons leven en in onze omgeving. God vraagt van ons mensen dat we vanuit liefde het goede doen, niet dat we haar nalaten.

Ik heb met mijn levenswandel voor Gods aangezicht laten zien wat u in uw tijd veerkracht noemt. Het kwade, het verdrietige dat er in mijn leven gebeurde, heeft er niet toe geleid dat ik erin weg ben gezonken. Ik heb uit alles wat mij is overkomen, een les voor het leven gehaald. Ik kon meeleven met mijn gemeenteleden. Als er dingen anders liepen, dan ik verwacht had, kon ik daar soepel op reageren en ik had God. Hem riep ik aan in het vertrouwen dat Hij erbij is en dat Hij ziet, dat ik doe wat ik kan. Ook al moest ik mijn ambt neerleggen, ook al heb ik zo vele dierbaren naar het graf gedragen: in dit alles wist ik mij gedragen door God, die alles regeert. Misschien klinkt dit wat zwaar in uw postmoderne oren. Maar in mijn gelovige toewijding aan God wist ik mij telkens van Hem afhankelijk, als een kind aan zijn Vader in de hemel. Mijn Vader leidt mij en vraagt van mij dat ik het goede doe, ongeacht hoe mijn leven verloopt. Mijn Vader overvraagt mij daarin ook niet. Hij ziet wat ik vanuit mijn ijver kan doen, maar Hij vraagt wel dat ik het goede vol breng.

Wellicht herkende Johann Sebastian Bach zich in mijn liederen die dicht bij mijn gevoels- en geloofsleven staan. Het raakte bij hem een gevoelige snaar, dat je in het leven er niet alleen voor staat en dat je blijft doen wat je kunt doen, wat God van ons mensen verlangt. In het doen van het goede is God er bij als een Vader, die jou leidt of zoals ik het mocht dichten:

Geef, dat ik met ijver volbreng

wat ik behoor te doen,
waartoe Uw bevel mij
– voor zover ik daartoe in staat ben – opdracht geeft!
Geef, dat ik het spoedig volbreng,
op het moment, dat ik het moet doen;
en wanneer ik het doe, geef dan,
dat het mij mag lukken!

Dat heeft mij kracht en steun gegeven, mijn hele leven lang.
En dat wens ik u ook toe: dat het ook u mag lukken. Amen.