Preek gehouden op 28 januari 2024, Psalm 8 en Lucas 10: 21-22

Ds. Rina Mulderij

Gemeente van Jezus Christus,

Wat een prachtpsalm is Psalm 8. Het is het eerste loflied in het Psalmenboek. De lof wordt ook nog eens direct tot God geuit. De grootsheid, de majesteit van God wordt bezongen. Ook de mens heeft een plaats in deze lof gekregen. Tegen de grootsheid van de hemel met alle sterren en de maan schildert de dichter de mens als maar klein af: wat is de sterveling dat u aan hem denkt? Ook heeft de mens een plek onder God gekregen: bijna een god, gekroond met glans en glorie. Schepping van de Schepper, een roeping die een verantwoordelijkheid met zich mee brengt. Een manier van leven, van denken, dat je als mens aan de ene kant bekleed bent met de luister van God – je bent beelddrager van God – en aan andere kant ben je begrensd – je bent bijna een god, maar je bent ook nederig, sterfelijk ten opzichte van God. Die twee dingen zitten in ieder mens. Je zou het ook als vrije wil kunnen interpreteren. We zijn geroepen tot grootse dingen in Gods naam, maar we kunnen ook zo faliekant falen door te denken dat er we God zijn, Zijn plek innemen.

De lof die de dichter aan God toedicht, willen we graag voor onszelf zien. Op het podium, in het middelpunt van de belangstelling staan doet wat met een mens. Artiesten en topsporters hebben het over een zwart gat, waar je in kunt vallen, wanneer het applaus verstomt, wanneer mensen jou vergeten zijn. Het geeft een kick om in het licht te staan, maar wie ben jij, als je niet meer in het licht staat? In de Bijbel zijn er voorbeelden van mensen die zich als groter dan God profileerden. Nebukadnessar uit het boek Daniel (4) kijkt over de stad uit die hij heeft laten verbouwen en denkt bij zichzelf: “wat geweldig dat ik dit voor elkaar heb gekregen? Schuilt hier niet mijn majesteit in?” En zo erkent hij niet dat God boven hem is en hij geeft God niet de lof, dat die dit mogelijk heeft gemaakt, dat Nebukadnessar macht heeft ontvangen om dit te kunnen doen. Ook in onze huidige tijd zijn er mensen die zichzelf als groter dan God zien: ‘met mijn intelligentie, met mijn kracht heb ik dit voor elkaar gekregen.’ Ook in de kerk zijn er mensen die zichzelf het liefst in het centrum van alle lof willen plaatsen; de lof, die voor God is bestemd.

Waar er een groot kijk-mij-eens-gehalte is, wordt God in de coulissen afgevoerd. Dat zien we ook op het wereldtoneel, waar sterke en rijke mannen zich zo in het middelpunt plaatsen, dat zij voor die verandering kunnen zorgen. Vorige week heeft in Davos het World Economic Forum plaats gevonden [https://www.trouw.nl/verdieping/wat-de-davos-mannen-ons-proberen-te-verkopen~b74ad7dc/?referrer=https://www.google.com/]. Rijke mensen, die het liefst een verlaging van hun belastingen zien, zodat zij met hun rijkdom er een betere wereld van kunnen maken naar hun gelijkenis. Mondiale problemen lossen zij met een zak geld zo op. Maar het is de vraag of dit wel zo gaat. Dat je complexe zaken zo in geld kunt vertalen, dat de rijke CEO’s van deze wereld die zo kunnen oplossen, als we ons maar aan hun handen toevertrouwen, dan komt het goed. Daar hopen zij op.

Denk ook aan die leiders die denken dat ze met oorlog en geweld wegkomen, die hebben het liefst ook niemand boven zich. Ze maken zich als het ware tot vijanden van God. Ze kunnen doen wat ze willen – er is toch Niemand die hen tot verantwoording roept? Ze denken dat ze er mee weg kunnen komen met hun wraak en hun verzet. Ze zijn toch krachtiger dan de schepping? Onstuitbaar zijn ze tegenover zwakkeren, die zij onder de voeten lopen.

Tegenover deze krachten die menen meer dan God te zijn, stelt God Zijn macht op. Via de monden van kinderen en zuigelingen horen wij de lof tot God komen. Iets dat we ook met Kerst vieren, dat God zo dicht bij ons wil zijn, dat Hij als mens geboren wordt. Ook Jezus zegt het dat de kinderen God de lof zullen toezingen en dat zelfs Zijn schepping het uit zal zingen, wanneer mensen zwijgen (Matteüs 21,16). Vanuit het kwetsbare horen wij God de lof toezingen, als tegenwicht voor alles wat zich als machtig, krachtig presenteert. Die lof tot God willen ook wij gaande houden, elke dag weer. God in het centrum van onze lof zetten, want Hij heeft ons gemaakt. God blijft voor ons zorgen, ook wanneer we Zijn schepping onderhouden en bewaken. De aan ons gegeven macht betekent niet dat we alles maar kunnen doen wat we willen, dat we de schepping aan ons onderwerpen en misbruiken, te gelde maken voor onszelf. Met alles wat in ons is gelegd aan kracht, aan talenten, mogen we God dienen en zo ook elkaar. Daar gaat die roeping, die bekroning met glans en glorie over, dat we die aanwenden om goed voor deze aarde te zorgen. We zijn geroepen om een koninklijk geslacht te zijn. ‘Koningen en koninginnen zijn’ betekent niet dat we onszelf verheffen, het licht van Gods schepping voor onszelf houden of dat we denken dat die ander maar voor dat licht in ons moet buigen, maar dat we dienstbaar zijn aan elkaar. Of zoals Jezus ons heeft voorgehouden dat de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen (Matteüs 20,28, Marcus 10,45).

De Bijbel geeft naast het falen ook voorbeelden van lof tot God, waar wij mogen delen in: hoe brengen we God op de juiste wijze lof? Hoe richten wij ons leven in als een levend loflied voor Gods aangezicht? Het is ons om die dingen te doen, waar wij God en elkaar verhogen vanuit liefde. Om te zien dat God zich in de allerkleinsten present stelt en dat God Zijn macht in hen toont. Dat Hij zich openbaart aan eenvoudige mensen. Met de Geest mogen wij God loven, die ons alles heeft geschonken, opdat wij zullen leven. God waardeert ons stervelingen met Zijn aandacht, met Zijn liefde. Heffen wij met dankbaarheid onze lof tot God, die onze lof waard is, wat we ook in ons leven meemaken. God komt alle lof toe, nu tot in eeuwigheid, amen.